Werkalliantie in (semi-)gedwongen kader

Dit langlopende onderzoeksprogramma  gaat over de werkalliantie in gedwongen kader. Het onderzoek is gestart door het lectoraat Werken in Justitieel Kader bij de reclassering. Later is het programma uitgebreid tot vijf lectoraten van het Kenniscentrum Sociale Innovatie en vijf organisaties in het sociale domein (reclassering, jeugdbescherming, schuldhulp, woonbegeleiding en arbeidsintegratie). Ook de Vlaamse reclassering is aangesloten.

Wat verstaan we onder de werkalliantie? 
Hieronder verstaan we de kwaliteit van de onderlinge samenwerking tussen cliënten en professionals in de context van professionele begeleiding.  Deze samenwerking is gericht op het bereiken van doelen buiten de alliantie (bijvoorbeeld herstel van het sociale netwerk, of verandering van gedrag) en is geen doel op zich. Bij hulp en begeleiding in vrijwillig kader is er bij een goede kwaliteit werkalliantie sprake van gezamenlijke doelgerichtheid, gezamenlijke taakgerichtheid en wederzijdse binding. Uit veel onderzoeken is gebleken dat cliënten hulp of behandeling vaker afmaken en dat de resultaten beter zijn als cliënten en professionals de werkalliantie goed waarderen.  

Waarom onderzoek naar de werkalliantie in gedwongen kader?
In dit onderzoeksprogramma vragen wij ons af of deze kenmerken (gezamenlijke doel- en taakgerichtheid en binding) van de werkalliantie ook gelden bij ondersteuning of toezicht in gedwongen kader, of dat hier andere kenmerken een rol spelen. Deze vraag wordt vaak gesteld door de betrokken professionals: wat zijn werkzame aspecten van de samenwerking tussen cliënten en professionals als er sprake is van een niet vrijwillige start?

Het handelen van de betrokken professionals, bijvoorbeeld reclasseringswerkers of jeugdbeschermers, is gericht op het voorkomen van herhaling (van delinquentie, huiselijk geweld, ernstige schulden, woonoverlast) en het bevorderen van een maatschappelijk geïntegreerd bestaan. Hun professionele rol omvat - naast het bieden van hulp en steun - het signaleren van veiligheidsrisico’s, controle op naleving van voorwaarden en het afwegen van de belangen van individuele cliënten tegen het maatschappelijke belang. Dat stelt hen voor professionele vragen.  Hoe kunnen zij het goede evenwicht bewaren tussen hun begeleidende – en controlerende rol? Welke accenten moeten zij leggen in de samenwerking met hun cliënten, bij wie ze niet meteen kunnen verwachten dat er sprake is van gezamenlijkheid en binding?

Basisonderzoek van het programma: kenmerken van de werkalliantie in gedwongen kader
Het programma is in 2011 gestart bij de reclassering, aan de hand van de volgende onderzoeksvraag:

Wat zijn specifieke kenmerken van de werkalliantie in het gedwongen kader die samenhangen met het verloop en de resultaten van het reclasseringstoezicht?
 
Deze vraag is onderzocht bij 276 koppels van reclasseringscliënten en reclasseringswerkers, aan wie op twee momenten tijdens het toezicht (bij de start en zes maanden later) is gevraagd hoe zij denken over de kwaliteit van hun onderlinge samenwerking. In dit onderzoek zijn vier specifieke kenmerken gevonden van de werkalliantie in gedwongen kader, te weten Vertrouwen, Richting en Kader, Binding en (als negatief kenmerk) Stroefheid. Deze kenmerken blijken samenhang te vertonen met haperingen in het toezicht en negatieve voortijdige uitval van cliënten uit het toezicht. Om de waardering door cliënten en werkers, van deze kenmerken vast te stellen is de Alliantiemonitor-Gedwongen Kader (WA-GK) ontwikkeld. Dit instrument kunnen reclasseringswerkers en hun cliënten gebruiken als hulpmiddel om periodiek met elkaar te bespreken hoe het met hun onderlinge samenwerking staat.

Dit onderzoek is eind 2017 afgerond en publicatie wordt medio 2018 verwacht in de vorm van een proefschrift en enkele Engelstalige artikelen van Anneke Menger, lector Werken in Justitieel Kader. Het proefschrift komt na verdediging open acces op deze website. 

Op basis van dit onderzoek zijn drie vervolgonderzoeken gestart:   

Vervolgonderzoek 1: Patronen in de werkalliantie
Wat is de betekenis van specifieke ontwikkelingspatronen, in de zin van stijgende-, dalende-, of gelijkblijvende waardering van de werkalliantie door cliënten en professionals? Welke kenmerken van cliënten, reclasseringswerkers en de context hangen met deze patronen samen? In welke mate hangen deze patronen samen met diverse uitkomstmaten en met recidivegegevens na twee jaar? Deze vraag wordt onderzocht in een tweede promotieonderzoek, toegekend door Hogeschool Utrecht. Het onderzoek is reeds lopend en kent een looptijd tot 2020. Tussentijds wordt gepubliceerd in wetenschappelijke artikelen (Annelies Sturm, onderzoeker lectoraat Werken in Justitieel Kader). 

Binnen dit onderzoek vindt tevens een kwalitatieve studie plaats over de vraag hoe cliënten en reclasseringswerkers de werkalliantie beleven bij een dalend, stijgend of stabiel patroon. Welke gedragingen, gebeurtenissen en belevingen werken in op deze patronen? Hiertoe worden bij een nieuwe steekproef van 75  koppels drie verschillende patronen vastgesteld. Vervolgens wordt met 15 koppels per patroon een diepte-interview gehouden, waarbij elk afzonderlijk wordt ondervraagd.

Vervolgonderzoek 2: De werkalliantie en persoonsgerichte aanpak
Het derde promotieonderzoek in dit programma bestudeert welke dadergroepen onderscheiden kunnen worden binnen de reclassering en naar verschillen in (het belang van) de werkalliantie tussen deze dadergroepen. Vervolgens worden de werkalliantiegegevens uit het basisonderzoek gekoppeld aan recidive- en resocialisatiegegevens twee jaar na uitstroom van het reclasseringstoezicht. Dit onderzoek staat in dienst van de ontwikkeling naar meer persoonsgericht en informatiegestuurd werken in het justitiële domein, waaronder de reclassering. Dit promotieonderzoek is toegekend door Hogeschool Utrecht en is gestart eind 2017 (Widya de Bakker, onderzoeker lectoraat Kennisanalyse Sociale Veiligheid).

Vervolgonderzoek 3: Meerwaarde gebruik alliantiemonitor in (semi) gedwongen kader
Dit onderzoek ontvangt een Raak Pro subsidie van Stichting Innovatie Alliantie. In dit onderzoek gaan we bij cliënten en professionals na hoe zij het werken met de Alliantiemonitor Gedwongen Kader (WA-GK), zoals ontwikkeld in het basisonderzoek (link), ervaren en of het gebruik hiervan bij kan dragen aan een beter verloop van het traject.
Bij dit onderzoek zijn vijf KSI lectoraten betrokken: Werken in Justitieel Kader, Kennisanalyse Sociale Veiligheid, Jeugd, Schulden en Incasso, en Innovatieve Maatschappelijke Dienstverlening. Het gebruik van de monitor wordt getoetst bij cliënten en professionals in de reclassering, de jeugdbescherming, de arbeidstoeleiding en de woonbegeleiding. Ook de Vlaamse reclassering doet mee.

Lees de laatste updates en informatie via de projectwebsite.  

Foto's van de kick-off