Zorgen over afstudeerders zorg en welzijn

Ben je arm als je bij de voedselbank loopt maar wel een joekel van een tv hebt en een pakje filtersigaretten per dag rookt? Welzijnswerkers die achter de voordeur kijken van mensen met complexe problematiek, komen voor moeilijke vragen te staan. Die morele dilemma’s moet je kunnen bespreken, vindt lector Lia van Doorn, en zij ziet daarin een belangrijke rol voor Hogeschool Utrecht weggelegd.

Keurig gekleed met een tas van Gucci over de schouder, en toch cliënt van de voedselbank? Het komt voor tegenwoordig, zo blijkt uit onderzoek van Lia van Doorn, lector Innovatieve Maatschappelijke Dienstverlening, naar de deelnemers van de Utrechtse voedselbanken. Voedselbanken staan sinds de economische crisis onder druk: de donaties nemen af maar het aantal mensen dat aanklopt voor hulp neemt toe. “Een nieuwe groep voor de voedselbank zijn mensen die voorheen misschien wel een koophuis in een welgestelde buurt hadden, maar die het nu niet meer redden,” aldus Van Doorn. Een deel van deze nieuwe armen zijn zzp’ers, die veelal tegen wil en dank of als alternatief voor thuiszitten zelfstandig ondernemer zijn geworden. “En dan blijkt zo’n bestaan heel ingewikkeld.” Door miscalculaties, onverwachte btw-afdrachten en onvoldoende omzet ligt armoede om de hoek. En hoewel de nieuwe gebruikers hun armoede gemeen hebben met de ‘traditionele’ gebruikers, zijn er ook grote verschillen. Door profielen en kenmerken van Utrechtse voedselbankdeelnemers te achterhalen, kan Van Doorn aanknopingspunten voor beleid formuleren.

Kwetsbare burgers

Zo bleek uit het onderzoek dat een deel van de gebruikers graag iets terug wil doen voor de hulp die ze ontvangen, maar dat de voedselbanken zelf – die draaien op vaak overbelaste vrijwilligers – niet zomaar in staat zijn om dat te faciliteren. Om deze en andere redenen raadt Van Doorn aan de samenwerking tussen gemeenten en voedselbanken te versterken. Overigens was het bepaald niet eenvoudig om toegang te krijgen tot de gebruikers van de voedselbank – er moest zorgvuldig vertrouwen worden opgebouwd en vastgehouden. Daarom zijn de interviews met deze kwetsbare burgers uitgevoerd door docenten van de sociale opleidingen van de hogeschool. Een nieuwe werkwijze van het lectoraat, die goed is bevallen. “De docenten waren erg enthousiast over deze kans om in contact te komen met hun doelgroepen. Ook gebruiken sommige docenten de casuïstiek uit de interviews nu in hun eigen onderwijs, omdat het studenten een goed beeld geeft van de weerbarstige werkelijkheid.”

Wat is armoede?

De interviews gaven niet alleen inzicht in de profielen van cliënten met een complexe problematiek (de eerste onderzoekslijn van het lectoraat), maar leidden ook tot gesprekken met de docenten over morele oordeelsvorming (de tweede onderzoekslijn). “De interviews leverden intrigerende vragen op, zoals de vraag wat armoede is. Als er een grote tv staat, of mensen zijn zware rokers, zijn ze dan wel arm? Hoort een computer bij de basale voorzieningen, wat heb je nodig om te kunnen participeren in de samenleving? Natuurlijk is het vaak ook een kwestie van keuzes maken. Dan kopen mensen die auto maar hebben ze vervolgens geen geld meer om eten te kopen.” Sociaal werkers die outreachend werken, dat wil zeggen dat ze achter de voordeur komen, worden regelmatig geconfronteerd met ethische dilemma’s, vertelt Van Doorn. “Cliënten zeggen bijvoorbeeld dat ze geen hulp nodig hebben, maar je ziet lege drankflessen of ongeopende enveloppen met onbetaalde rekeningen liggen; of je ziet dat onderhuur plaatsvindt. Wat moet je dan doen? Wij pleiten voor een goede cultuur van moreel beraad: het is belangrijk om samen met andere professionals te reflecteren op het morele handelen.”

Turbulentie in welzijnswerk

En dat is precies waarover Lia van Doorn zich zorgen maakt. “Er staan vijf grote stelselwijzigingen op stapel waarvan de Wet maatschappelijke ondersteuning – de Wmo – de belangrijkste is voor ons onderzoeksterrein. Het betreft enorme omwentelingen die tot grote turbulentie leiden. Onze samenwerkingspartners in de regio – de grote welzijnsorganisaties – gaan failliet of fuseren, en er komen nieuwe aanbieders zoals schoonmaakbedrijven. Alles verbrokkelt. Vaste structuren staan op losse schroeven. Dat kan een vruchtbare bodem zijn voor innovatie van het sociale domein. Maar wat mij zorgen baart, is de positie van onze afstudeerders. De kans is groot dat zij niet meer in dienst treden bij een grote, ervaren organisatie; zij zullen in toenemende mate als zzp’er de arbeidsmarkt moeten betreden. De grote welzijnsorganisaties zijn steeds vaker aan het afslanken. Ze beperken zich tot een kleine vaste kern van medewerkers, om flexibel te kunnen opereren. Als ze een aanbesteding hebben gewonnen, vergroten ze tijdelijk hun capaciteit met huurpanden en zzp’ers.”

Dilemma’s en dubbele agenda’s

Nu is het bestaan van de zzp’er sowieso al ingewikkeld, maar voor welzijnswerkers die outreachend werken is er een bijkomende uitdaging. Welke opdracht neem je aan, en welke niet? Wat past bij je professie? Hoe ga je om met dilemma’s? Gemeenten willen bijvoorbeeld soms dat sociaal werkers niet alleen ondersteunen maar ook controleren. Dus dat er bijvoorbeeld een seintje naar de woningbouwvereniging gaat als een cliënt illegale onderhuurders heeft. Van Doorn is uitgesproken tegen de vermenging van ondersteuning en controle: “Als hulpverlener bouw je een vertrouwensband op en dan zou er geen dubbele agenda moeten zijn. Controle moet door anderen plaatsvinden. Maar wat doe je, als je met andere zzp’ers concurreert om een opdracht?”

Thuisbasis voor professionals

Daarom ziet Van Doorn een belangrijke rol voor de hogeschool. Een rol die niet stopt als studenten alumni zijn geworden. “Ik wil de professionals van de toekomst – die steeds vaker als eenpitters werken - hier een thuisbasis blijven bieden. De hogeschool is een baken van stabiliteit in deze regio. Die kracht moeten we benutten om een pleisterplaats te worden voor toekomstige professionals, alumni, docenten en de organisaties. Een laagdrempelige thuisbasis waarin een wisselwerking tussen onderzoek, onderwijs en praktijk plaatsvindt; een plek van bezinning, inspiratie, en een plek om met andere professionals te praten over het vak.”