'De informele zorgsamenleving is niet maakbaar'

De herziening van ons zorgstelsel is in principe een kansrijke innovatie. We maken ons systeem simpeler en brengen het onder regie van het lokale bestuur. Die kan ondersteuning aan burgers slimmer en effectiever organiseren, dichtbij in dorpen en wijken, met meer samenwerking tussen organisaties en professionals. Professionele ondersteuning wordt laagdrempelig, op maat en dicht bij de mensen georganiseerd: Eén huishouden, één plan, één aanpak! Daarbij gaan we uit van de eigen kracht van mensen, van zorgen voor jezelf en voor elkaar. Prachtig allemaal, maar een ingrijpende structuurverandering én een forse bezuiniging (van meer dan 25% op zorguitgaven) én dat alles in korte tijd voor elkaar boksen: die drie elementen leveren scheikundig een op zijn minst broeierig en mogelijk explosief mengsel op.

Het nieuwe sociale denken gaat uit van aannames waarvan maar de vraag is of die juist zijn. Er wordt gegokt en gokken brengt risico’s met zich mee. Een belangrijke aanname is: ‘De participatiesamenleving is maakbaar: individuen en de samenleving hebben veel meer kracht dan we tot nu toe benut hebben’. Een andere aanname is dat informele zorg (dat wil zeggen de zorg die mensen ongekwalificeerd en onbetaald aan anderen geven) net zo goed is als formele (professionele, betaalde) zorg.

De overheid heeft als mantra: staatsverzorging omzetten naar participatie. In feite gaat het niet om een oproep tot participatie in de zorg maar op het vervangen van een deel van de staatszorg naar onderlinge zorg. Het getuigt echter van simplisme om ervan uit te gaan dat formele zorg eenvoudigweg vervangen kan worden door informele zorg. We weten uit onderzoek dat mensen over het algemeen niet zomaar een beroep doen op hulp. Ze hebben daar goede redenen voor, en vaak moet nogal wat schroom worden overwonnen om hulp te durven vragen. Mensen worden niet graag afhankelijk van anderen, niet van familieleden, niet van de buurvrouw en niet van professionals. En soms hebben mensen hele goede redenen om niet een beroep te doen op een familielid en juist wél op een professional. Bijvoorbeeld omdat een professional met kwaliteitsstandaarden werkt en geen gunsten geretourneerd hoeven te worden.

We weten dat er veel kracht aanwezig is bij individuen en in sociale systemen. Zo doen miljoenen Nederlanders aan mantelzorg en vrijwilligerswerk. Nederlanders zijn over het algemeen heel actieve burgers. We weten echter ook dat honderdduizenden mantelzorgers ernstig overbelast worden, en dat vrijwilligers gemakkelijk kunnen afhaken als er niet voldoende professionele back-up is. Bovendien is er een grote groep mensen die vanwege hun lichamelijke en psychische kwetsbaarheid veel gespecialiseerde zorg nodig heeft. Zorg van mensen die goed opgeleid zijn en hun geld dubbel en dwars waard zijn. Niet alleen omdat zij de zorg leveren die mensen nodig hebben, maar ook omdat zij de eigen kracht van mensen en het natuurlijke systeem zodanig aanvullen dat het geheel in balans blijft.

Activering van informele zorg heeft dus lang niet altijd zin. Het kan zelfs een tegengesteld effect hebben. Mensen doen binnen de grenzen van het mogelijke graag iets voor anderen, maar wel vanuit eigen motivatie. Als we niet oppassen kan ‘zorgparticipatie’ al gauw gedwongen participatie worden. Je moet je demente moeder wel helpen omdat er geen alternatief meer is. Dit kan ten koste gaan van participatie op andere terreinen van het leven, zoals werk. De overheid gaat ook te makkelijk uit van de vitaliteit van sociale netwerken. Veel mensen hebben een kwetsbaar netwerk, dat beperkt van omvang is of bestaat uit mensen die zelf ook kwetsbaar zijn. Denk aan ouderen op hoge leeftijd, aan zwerfjongeren met een verstandelijke beperking.

Sommige wijken in de stad kennen weinig sociale samenhang. Een beroep doen op onderlinge zorg heeft alleen maar zin als er sociale bindingen aanwezig zijn die voldoende kwaliteit hebben. Sociale professionals zijn hier broodnodig om die bindingen te helpen versterken, want vanzelf zal dat niet gaan. Het is merkwaardig te constateren dat juist die professionals, die de smeerolie van de wijk vormen, op veel plaatsen wegbezuinigd zijn. En dat gemeenschapsvoorzieningen als wijkcentra en buurthuizen gesloten worden terwijl dit juist plekken zijn waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en vandaar uit iets voor elkaar kunnen betekenen.

In gemeenteland wordt wel gesproken van ‘de kanteling’ als men het heeft over het anders omgaan met burgers, zoals het beroep doen op ‘eigen kracht’. Laten we er voor waken dat we niet doorschieten in deze kanteling. Innovatie zit hem juist in het vinden van een nieuwe balans tussen wat mogelijk en wenselijk is. Je als samenleving storten in de black box van het informele is uiterst onverstandig.

Jean Pierre Wilken
lector Participatie, Zorg en Ondersteuning
Kenniscentrum Sociale Innovatie Hogeschool Utrecht

december 2014
 
Noot: De redactie van de onderzoeksnieuwsbrief nodigt elke maand één van de lectoren van de HU uit om op basis van de eigen expertise een visie te geven op actuele issues in onze samenleving.

Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Sluiten