Interview Elly de Bruijn: Leren opleiden tot vakmanschap

Betonboorder of banketbakker, fysiotherapeut of fotograaf; een vak leer je in het beroepsonderwijs. Maar wat moet een docent in het beroepsonderwijs eigenlijk kennen en kunnen? Hoogleraar en lector prof. dr. Elly de Bruijn over oeps- en aha-momenten, en de professionalisering van de docent in mbo en hbo.

Studenten in het mbo vinden het moeilijk om hun boekenkennis te verbinden met de praktijk. In de keuken van een restaurant bijvoorbeeld leren studenten te kijken en te voelen of gerechten goed zijn. Op school krijgen ze algemene tabellen en criteria aangereikt. Beide soorten kennis zijn belangrijk, maar je moet ze wel op het juiste moment gebruiken. Voor docenten in het beroepsonderwijs is dat dus vitale kennis: hoe en wanneer leer je studenten hun theoretische kennis toe te passen om een praktijkprobleem op te lossen, en hoe help je theorie te verdiepen met kennis uit de beroepspraktijk?

Ziehier een van de uitdagingen van het beroepsonderwijs, waar de combinatie van schools leren en werkplekleren tot vakmanschap moet leiden. Het Lectoraat Beroepsonderwijs van Hogeschool Utrecht (HU) zoekt naar antwoorden onder leiding van lector Elly de Bruijn, die ook hoogleraar Pedagogisch-didactische vormgeving van beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en levenslang leren bij de Universiteit Utrecht is.

Een vak relevant maken

Een andere uitdaging voor het beroepsonderwijs: docenten hebben lang niet altijd geleerd hoe ze hun (school)vak zo moeten geven dat het meerwaarde heeft voor het toekomstige beroep van de studenten. “Kleuren naar het beroep”, noemt De Bruijn dat. Voor een docent Nederlands bijvoorbeeld maakt het nogal wat uit of deze les geeft aan een technische opleiding of aan een opleiding voor secretaresses. De Bruijn: “Docenten moeten zich afvragen hoe zij in een bepaalde beroepsopleiding hun vak relevant maken. Veel docenten van algemene vakken hebben namelijk nauwelijks beeld van de toekomstige beroepspraktijk van hun studenten, terwijl dat de kwaliteit van hun lessen echt ten goede zou komen.” In een onderzoeksproject van het lectoraat kunnen studenten tijdens hun opleiding tot leraar daarom leren werken met de specifieke eisen die het beroepsonderwijs stelt. Een leraar scheikunde in spe onderzoekt dan bijvoorbeeld eerst de toekomstige beroepspraktijk van een dierenartsassistent, en maakt vervolgens een scheikundeles die aansluit op dat beroep.

Professionalisering docenten

Het lectoraat werkt daarnaast aan de versterking van de pedagogisch-didactische kwaliteiten van de huidige opleiders aan het beroepsonderwijs, die voor een deel afkomstig  zijn uit de beroepspraktijk. “Zij moeten vooral leren om docent te worden,” vertelt De Bruijn. “Maar voor veel beroepsspecifieke vakken bestaat geen lerarenopleiding. Bovendien is er geen basiskwalificatie specifiek voor opleiders in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs.” Aan dat laatste wordt trouwens gewerkt: het recent ingestelde Expertisecentrum Docent HBO neemt de professionalisering van de hogeschooldocent ter hand door hun pedagogisch-didactisch handelen te versterken. Het Lectoraat Beroepsonderwijs is nauw betrokken bij de ontwikkeling en bewaakt de kwaliteit.

Oeps- en aha-momenten

“Binnen het lectoraat hebben we nu verschillende projecten onderhanden”, vertelt De Bruijn. Een ervan betreft onderzoek naar contextualiseren en conceptualiseren, leeractiviteiten die juist in beroepsopleidingen een belangrijke rol spelen. Contextualiseren betekent dat je theoretische modellen toepast en specificeert in concrete taken; conceptualiseren betekent juist dat je specifieke observaties en ervaringen kunt abstraheren en vertalen naar theoretische modellen. “We weten dat deze twee leeractiviteiten elkaar aanvullen, maar hoe het precies werkt is een black box. In een van de projecten proberen we op de schouder van mbo-studenten in de horeca te gaan zitten om de momenten te vangen dat zij contextualiseren of conceptualiseren. We vragen ze dan bijvoorbeeld om op een door ons gemaakte video van hun werk in het schoolrestaurant een moment aan te wijzen waarop ze in verwarring waren (oeps) of waarin juist het kwartje viel (aha). Dan laten we ze daarover vertellen en proberen te duiden of het om contextualiseren of conceptualiseren ging.”

Kennis verspreiden

Soms is de rol van het lectoraat in de verbinding tussen opleiding, werkveld en onderzoek bedrieglijk eenvoudig. Zo heeft De Bruijn sinds kort de supervisie over de rubriek ‘Kennis en onderzoek’ in Profiel, het vakblad van de docenten in het mbo. Mbo-docenten die een masteropleiding hebben gevolgd, schrijven in deze rubriek over hun masterthesis, en De Bruijn begeleidt hen bij het schrijven. Zo verscheen onlangs in Profiel een artikel over de effectieve inzet van Facebook bij ‘peer tutoring’, een vorm van samenwerkend leren. “Voor het lectoraat is dit een driedubbelslag: ten eerste leren we welke vraagstukken er leven in het mbo; ten tweede professionaliseren de docenten zich omdat ze leren hun onderzoek op een toegankelijke manier te presenteren, en ten derde helpen we relevante kennis te verspreiden onder scholen.”
Het lectoraat participeert ook in landelijke innovatieprojecten om zodoende wetenschappelijke kennis ter beschikking te stellen aan het onderwijsveld. De Bruijn: “Wij helpen scholen als het ware te reiken naar de plank met kennis en die in te zetten in hun onderwijspraktijk.”