Een goede docent neemt de ruimte

Docenten zijn professionals die de ruimte moeten krijgen. Daarvoor pleit Cok Bakker, lector Normatieve professionalisering aan de Faculteit Educatie van de HU. ‘Hoe je zelf les hebt gehad, bepaalt wat voor leraar je wordt.’

Cok Bakker is al vele jaren onderzoeker aan de Universiteit Utrecht en sinds begin van dit collegejaar voor twee dagen per week ook lector bij de HU. Op 4 juni vindt zijn inauguratie bij de UU en zijn openbare les bij de HU plaats.. Over de combinatie van hoogleraarschap en lectoraat is Cok Bakker enthousiast: “Bij de HU studeren honderden studenten voor het vak van leraar, veel meer dan bij de universiteit. Ik kan onderzoek doen waaraan veel studenten direct participeren. De impact van de resultaten van onderzoek is groot en kan meteen toegepast worden in de opleidingen van de Faculteit Educatie.”

Zijn onderzoeksgroep, een unieke combinatie van medewerkers uit hogeschool en universiteit, groeit dit jaar naar zo’n vijftien promovendi – van wie zes docenten van de HU. Rode draad door alle onderzoeksactiviteiten van het lectoraat is de vraag hoe de docent als mens gevormd wordt (‘persoonsvorming’) en welke rol onderwijs en identiteit daarbij spelen. Ook de identiteit van de school is onderwerp van onderzoek. Het bijzonder onderwijs ontleent haar status nauwelijks meer aan de levensbeschouwelijke visie (katholiek, protestants-christelijk) waaruit het ooit ontstaan was. Maar wat ervoor in de plaats is gekomen, is nooit helder gedefinieerd.

Wat maakt een leraar tot een goede professional?

Bakker: ‘Als leraar moet je een heel instrumentarium leren beheersen. Maar het gaat er ook om wie je bent als persoon, over je eigen biografie. Over hoe je zelf vroeger onderwijs hebt gekregen. Dat laatste is in hoge mate bepalend voor hoe jij leraar wordt. “Het subjectief concept van leraarschap” heet dat.’

Meester en gezel

Kort door de bocht geformuleerd: weten hoe je een les opbouwt en veel vakkennis hebben maken een leraar nog niet automatisch tot een goede leraar. Wat dan wel? Cok Bakker houdt het, met de nodige wetenschappelijke voorzichtigheid (‘Dit is natuurlijk niet hét antwoord van het hele lectoraat’) op de metafoor van meester en gezel. ‘Als leerkrachten leidend zijn maar tegelijk ook zoekend, is er een spel waarin meester en gezel gezamenlijk optrekken, met de leraar als leider van de troep voorop.’ Hij geeft direct toe: ‘Het is een wat beschouwend antwoord vanuit het perspectief van de onderzoeker.’ Maar, voegt hij er aan toe: ‘Het is ook een spannende metafoor.’

Gebureaucratiseerd

Want sinds zijn aantreden zijn Cok twee zaken opgevallen aan de HU. Ten eerste ‘een grote ontvankelijkheid om levensbeschouwelijke vraagstukken aan de orde te stellen. Dat vind ik een grote verrassing.’ Al ziet hij ook ‘dat docenten soms suf-gereflecteerd zijn.’
Daarnaast valt hem nog iets op aan de HU: ‘Het is allemaal heel groot. Alleen al de lerarenopleiding telt zo’n 7000, 8000 studenten. En heel veel is gebureaucratiseerd. In het hoger onderwijs zijn we ontzettend bang dat we fouten maken en dat kwaliteit niet controleerbaar is. We zetten alles in systemen en dat staat al gauw haaks op het ideaal van meestergezel-leren. De illusie is dat we met dat systeem betere garanties opbouwen. Maar daar geloof ik niet zo in.’

Drie handtekeningen

Bakker verwijst naar eerdere affaires op andere hogescholen, zoals Inholland en Windesheim, waar de betrouwbaarheid van diploma’s in het geding was. ‘Als een hogeschool daarom afgeschoten wordt en we bedenken dan een nieuw formulier en dat daar voortaan drie handtekeningen onder gezet moeten worden…. we weten allemaal hoe dat werkt in zo’n bureaucratie. Het is een illusie te denken dat we dan betere kwaliteit leveren.’

Heftig dilemma

Bakker vindt dat hij bij zulke kritiek ook direct aan moet geven hoe het dan wel moet: ‘We zouden veel meer op zoek moeten naar de menselijke maat in het leren en het nadenken over kwaliteit.’

Al ziet hij daar ook direct een groot probleem: ‘We hebben nu eenmaal dat systeem en daarbinnen moeten docenten ontzettend hard werken, om maar op juist die precies omschreven manier kwaliteit te leveren. Maar als een docent vindt dat die kwaliteit eigenlijk op een ander punt en op een ander moment wordt geleverd, ontstaat er een heftig dilemma. Als je werkelijk professioneel bent en je claimt je professionele ruimte, dan zou je het systeem moeten laten voor wat het is. Maar ja, dan loop je het risico dat je een accreditatie misloopt en dan kun je de opleiding wel sluiten. Daar zit een enorme uitdaging.’

Vertrouwen

En in die kritiek geeft hij eigenlijk onbedoeld dan toch een eigen antwoord op de vraag wat een docent tot een goede docent maakt: dat is een professional die zijn professionele ruimte claimt. Waarmee Bakker overigens niet oproept tot een revolutie van leraren die alle bureaucratie voortaan maar moeten negeren. Daarvoor is de lector toch te veel wetenschapper. Maar: ‘Ik heb het idee dat dingen aan het veranderen zijn, het lijkt alsof het systeem zichzelf aan het opblazen is. Zo’n voorbeeld van een derde handtekening op een formulier, daarbij is het natuurlijk wachten op een bestuurder die zegt: “Maar ik geloof helemaal niet in zo’n extra formulier en zo’n extra handtekening.” Want dat is de bestuurlijke kant van de zaak: dat je de professional vertrouwt. Een bestuurder moet durven zeggen tegen een leraar: “Jij bent goed opgeleid en in die professionele ruimte kan ik jou nooit aansturen, want jij komt elke keer voor een unieke situatie te staan. Daarin maak jij een unieke afweging en ik vertrouw dat jij dan de juiste keuze maakt.” Daar moeten we naar toe.’

[Met dank aan Trajectum, waarin dit interview eerder verscheen].
Mei 2013

Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Sluiten