De oorlog die werd. Deel 3 van Dat nooit meer

Het derde deel van dit boek draait om de betekenis die de Tweede Wereldoorlog in de loop van de jaren zestig en zeventig gekregen heeft en het in vergelijking duidelijke beeld dat op dat moment van de oorlog ontstond.

Dat nooit meer 1960-1980

In het centrum van dat beeld kwam in toenemende mate de Shoah te staan. Twee internationale en twee Nederlandse gebeurtenissen in het bijzonder droegen eraan bij: het proces tegen Eichmann (hoofdstuk 18) en de vertoning van de Holocaust-serie (hoofdstuk 24) enerzijds en de publicatie van Pressers Ondergang (hoofdstuk 20) en deel 8 van het Koninkrijk van Loe de Jong (eveneens hoofdstuk 24) anderzijds. Mede door de groeiende aandacht voor de Shoah kreeg de oorlog een betekenis die anders en sterker was dan in voorgaande periode. Maar hiervoor zijn meer redenen. In de hoofdstukken 19 en 20 wordt geprobeerd het ingewikkelde proces te beschrijven waarin groeiende belangstelling voor en duidelijker beeldvorming van de Tweede Wereldoorlog samengingen met een generatie- of paradigmawisseling, een veranderend medialandschap en de bijzondere positie die Loe de Jong zich wist te verwerven. Belangrijkste gevolg van dit laatste was dat er rond 1965 voor het eerst weer zoiets als een gedeeld oorlogsverhaal leek te bestaan – weer omdat een dergelijk verhaal kort na de oorlog ook al even bestaan leek te hebben. Ook nu ontmoette het echter meteen scherpe kritiek. Dit keer kwam die vooral uit de hoek van jongeren (hoofdstuk 21). De kritiek was geen lang leven beschoren. Dit om te beginnen omdat zij geassocieerd werd met een vorm van politiek radicalisme die halverwege de jaren zeventig zijn grootste tijd alweer gehad had. Dit ook omdat Loe de Jong in zijn vanaf 1969 verschenen magnum opus subtieler was dan in de eerder vertoonde televisieserie en met zijn enorme vertoon van kennis en magistrale beheersing van de media critici de mond leek te snoeren (hoofdstuk 23). Hiertoe was hij temeer in staat, reden nummer drie voor de groeiende consensus, omdat jong en oud, links en rechts er in toenemende over eens waren dat op de oorlogsgebeurtenissen slechts één reactie mogelijk was: dát nooit meer. Deze overtuiging op zijn beurt was mede het gevolg van een perspectiefwisseling. Het oorlogsverhaal verplaatste zich van degenen die de oorlog hadden gevoerd (daders en hun tegenstanders, onderdrukking en verzet dus) naar degenen die de gebeurtenissen hadden ondergaan, in het bijzonder slachtoffers onder wie in de eerste plaats - zo komt de cirkel rond- joden (hoofdstuk 22).

Groeiende belangstelling voor de oorlog, een duidelijker oorlogsbeeld, concentratie op het slachtoffer en een krachtige overtuiging dat herhaling koste wat kost voorkomen moest worden, leidden opnieuw tot een groot aantal oorlogsaffaires. Hoewel zij grotendeels los van elkaar staan, draaien ze anders dan de affaires van de jaren vijftig (die veelal de actualiteit als inzet hadden, de oorlog was aanleiding) min of meer om hetzelfde: om personen of zaken die niet spoorden met de vermeende maatschappelijke consensus. In positieve bewoordingen bleek deze consensus niet eenvoudig uit te drukken. Veel verder dan ‘onze democratie’ kwam men veelal niet. Negatief was echter volstrekt duidelijk wat hiermee bedoeld werd. Het tegendeel van ‘toen’, de oorlog. Nadere uitwerking van dit besef is het onderwerp van het laatste hoofdstuk van dit derde deel van dit boek (hoofdstuk 24).

 

Hoofdstukindeling van deel 3: De oorlog die werd (1961-1980) 

  • De schok van het bekende. Eichmann in Nederland
  • Beeldvorming. De oorlog in het publieke domein
  • Samenloop van omstandigheden. Oorlog in woelige tijden
  • Steeds weer maar nooit meer. De oorlog als politiek principe
  • Verandering van perspectief. Van daders naar slachtoffers
  • In en rond Het Koninkrijk. De oorlog van Loe de Jong
  • ‘Onze democratie’. Van de ene affaire naar de andere

Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Sluiten