Twaalf proeftuinen veiligheidsbeleving

In samenwerking met Bureau Regionale Veiligheidsstategie Midden-Nederland, Veiligheidsalliantie regio Rotterdam en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid hebben afstudeerstudenten van de opleiding Integrale Veiligheidskunde van de Hogeschool Utrecht zich verdiept in de achtergronden van de gestegen gevoelens van onveiligheid in veertien buurten. Elk van deze buurten voldeed aan de kenmerken van verstoorde veiligheidsbeleving Deze eigenschappen waren op te maken uit negatievere scores in de VeiligheidsMonitor (of lokale, vergelijkbare instrumenten) of meldingen, e-mails en telefoontjes van buurtbewoners die aangaven zich ‘niet prettig’ te voelen.

Uit de overkoepelende analyse van de verhalen van 240 respondenten uit de twaalf buurten is gebleken dat buurtbewoners in hun uitleg voor hun gevoelens van onveiligheid in de eigen buurt vooral wijzen op specifieke locaties. Kenmerkend voor deze locaties was opnieuw dat er steeds een andere mix aan factoren uit de verhalen van buurtbewoners boven kwamen drijven. Maar veelvoorkomend waren de elementen ‘ hangjongeren’, ‘ vermijdingsgedrag’, ‘ donkerte’ en ‘ vermoedens van criminaliteit’. Buurtbewoners mijden ’s avonds de plekken waar hangjongeren samenkomen omdat ze dat niet veilig achten want zij hebben het vermoeden dat deze jongeren zich schuldig maken aan verschillende vormen van criminaliteit waaronder het dealen van drugs. Bij doorvragen bleef het bij vermoedens van criminaliteit, maar vertelde men ook concreet over alcohol- en drugsgebruik, geluidsoverlast en zwerfafval als problemen die rondom deze locaties speelden. 

De beleefde onveiligheid in de buurten lijkt maar een beperkte impact te hebben. De respondenten waren overwegend positief in hun oordeel over de buurt en ervaren weinig tot geen angst voor slachtofferschap. Men vertoont naar eigen zeggen weinig vermijdingsgedrag, maar wanneer we verder in het gesprek raakten vertelden zij ons situaties wel degelijk te vermijden, preventieve maatregelen te nemen en deze correct te gebruiken. Men is zeker alert, maar niet angstig. Mensen hechten vooral aan continuïteit: een buurt die snelt verandert wordt negatiever ervaren dan een stabiele buurt met de nodige problemen. Men houdt van bekende gezichten om zich heen, ook al kent men de buren niet persoonlijk.

In enkele buurten woonden mensen van verschillende achtergronden, levensstijlen en voorkeuren dicht op elkaar en dat gaf veel potentiele spanningen. Als gevolg van de anonimiteit die er in de buurten heerste, leidden deze spanningen niet tot conflicten. Men mijdt elkaar immers. Daarmee blijft de spanning vaak beperkt tot onderlinge overlast, maar langs deze weg hebben de spanningen alsnog een stevige impact op de beleving van veiligheid in de buurt. Rondom de beleefde sociale kwaliteit zagen wij grofweg twee categorieën buurten. In de ene categorie is de sociale kwaliteit van de buurt zeer vitaal: buurtbewoners kennen elkaar, zien actief naar elkaar om en hebben onderling contact. Bij dit contact wordt wel zeer regelmatig opgemerkt dat het oppervlakkig contact is en dit contact door de loop der jaren aan kwaliteit heeft ingeleverd. In de andere categorie zien we dat de sociale kwaliteit in de buurten negatief is doorgeslagen: het individualisme heeft de overhand, men staat op de overlevingsstand en heeft genoeg aan zichzelf, heeft onderling geen contact en er heerst een sterke mate van publieke anonimiteit. Bewoners in deze buurten zijn niet in staat elkaar van bezoekers te onderscheiden.

Naast jongerenoverlast werd er veelvuldig gesproken over woninginbraak. In veel van de buurten was er sprake van een beleefde inbrakengolf of had deze in het verleden plaatsgevonden. Dit kon zelfs tien jaar geleden het geval zijn geweest, maar buurtbewoner brachten het op basis van eigen slachtofferschap maar vooral onderlinge uitwisseling van verhalen ter sprake. Inbraak heeft daarmee een enorme impact op de veiligheidsbeleving in buurten en wijken. 

Op de achtergrond van de lokaal beleefde problematiek werd duidelijk dat er een invloed uitgaat van meer algemene vormen van bestuurlijk en politieke boosheid. Veel respondenten ventileerden een heart-felt zorg over waar het met Nederland naartoe gaat en hoe de overheid en politici hier onvoldoende tegen optreden. Men vindt in de directe woonomgeving aanknopingspunten voor maatschappelijke zorgen over bijvoorbeeld individualisering, immigratie en armoede en dit maakt dat er in de beleefde lokale problemen de nodige projectie van maatschappelijk onbehagen en politiek-bestuurlijke boosheid plaatsvindt.

Wanneer we hoog over naar de resultaten van de twaalf proeftuinen kijken zien wij een samenspel tussen de elementen:

  • buurtkenmerken; 
  • sociale kwaliteit; 
  • ervaren buurtproblemen die vooral op 
  • (specifieke situaties worden beleefd en waarbij op de achtergrond de nodige 
  • politiek bestuurlijke boosheid speelt. 

Uit dit samenspel lijkt in abstractie wel de volgende logica aan te brengen: Vanuit de eigenschappen van de woningvoorraad ontstaat er een mix aan bewoners met verschillende kenmerken in bijvoorbeeld leeftijden en leefstijlen en (elkaar potentieel versterkende) achterstanden als armoede, afstand tot de arbeidsmarkt en laaggeschooldheid. Onder deze bewoners is er sprake van een stevige politiek-bestuurlijke boosheid. De individuele problemen tellen op in collectieve problemen en manifesteren zich ook in de openbare ruimte op specifieke locaties. De sociale kwaliteit van de buurt is doorslaggevend. Wanneer men elkaar herkent, kent en zich onderling weet te organiseren rondom problemen, worden deze effectiever aangepakt en minder intens beleefd.

Voor de aanpak van onveiligheidbeleving onder burgers formuleerden wij op basis van onze bevindingen in de proeftuinen de volgende acht vuistregels:

1. Blijf subjectieve sociale veiligheid – het liefste op buurtniveau en anders op wijkniveau – monitoren;
2. Wees niet te snel onder de indruk. Zet alleen in op het tegengaan van significant negatieve ontwikkelingen in de veiligheidsbeleving van buurtbewoners en kom dus alleen in beweging bij discontinuïteiten ten opzichte van eerdere metingen;
3. Heb aandacht voor verschillen tussen buurten, vergelijk niet de beste met de slechtste buurt. Een gemiddelde score op veiligheidsbeleving is een functie van de extremen en  daarmee niet geschikt als pijlstok;
4. Haal bij significant negatieve ontwikkelingen het verhaal achter de cijfers op bij de buurtbewoners en kijk – met partners – wat binnen bereik ligt;
5. Blijf alert op lokale mixen van oorzaken;
6. Heb ook aandacht voor het (verre) verleden van buurten;
7. Lever steeds maatwerk in analyse en aanpak;
8. Persoonlijk contact tussen burgers en professionals haalt al veel spanning van de lijn.

Het toepassen van deze vuistregels in de twaalf onderzochte buurten, resulteerde in combinatie met de specifieke bevindingen steeds tot een andere mix aan adviezen. Elke deelnemende gemeente ontving een rapport met daarin onze lokale bevindingen en een op maat uitgebracht beleidsadvies. Het is daarom van belang deze aanbevelingen niet als one size fits all te lezen maar als inspiratiemateriaal voor een lokale aanpak op basis van een lokale analyse.

 

Kennisanalyse Sociale Veiligheid

Regie van veiligheid

Over het lectoraat