Schoolontwikkeling op de Academische Opleidingsscholen Utrecht/Amersfoort

Aanleiding.

Het doel van het AOS-project (2012-2016) was de scholen te leren systematisch te werken aan het verbeteren van de kwaliteit van hun onderwijs en daardoor betere leerlingresultaten te realiseren. Om de scholen te ondersteunen bij het systematisch werken aan hun eigen schoolontwikkeling is vanaf het schooljaar 2012-2013 een vierjarig schoolverbeteringsproject gestart: het Academische Opleidingsscholen project (AOS-project). In dit project werken de vijf academische opleidingsscholen en instituutsopleiders van ITT, onder begeleiding van het Lectoraat Geletterdheid (HU), samen aan het verbeteren van de leesprestaties van hun leerlingen door de kwaliteit van het curriculum, de instructie, de zorgstructuur en de schoolleiding te verbeteren. Dit schoolverbeteringsproces wordt gestuurd door tweejaarlijks binnen de scholen, naast leerling gegevens, gegevens te verzamelen over de kwaliteit van de genoemde onderdelen. Na elke meting wordt door de scholen een interventieplan opgesteld: data-driven-decision-making.

Onderzoeksvragen.

1. Is het mogelijk de leeropbrengsten voor taal/lezen te verhogen door systematisch te werken aan schoolontwikkeling op basis van onderzoeksgegevens?
a. Zijn de leerling-resultaten op het gebied van lezen verbeterd in de loop van het DWAO-project?
b. Heeft het gebruik van data bijgedragen aan verdere schoolontwikkeling van de deelnemende scholen? 
2. Zijn de scholen voldoende toegerust om zelfstandig systematisch aan hun schoolontwikkeling te werken? 
3. Heeft de gekozen projectstructuur als vormgeving van een professionele leergemeenschap, bijgedragen aan het verkleinen van de kloof tussen theorie en praktijk? 

Methode

Ter beantwoording van de eerste onderzoeksvraag worden bij de schoolleider, de kartrekker (coördinator binnen de school) en de leraren die lesgeven op het gekozen verbeteringsdomein, twee keer per jaar schriftelijke vragenlijsten afgenomen. Tevens worden de betreffende leerkrachten tweemaal per jaar geobserveerd bij de uitvoering van een leesles. Om na te gaan of de leerling-resultaten zijn verbeterd in de loop van het project worden drie keer per jaar toetsgegevens verzameld. Deze gegevens worden steeds bij de opeenvolgende cohorten verzameld. Daarnaast stellen scholen elk jaar op basis van de analyse van de bovenstaande gegevens een interventieplan op, waarin beschreven staat op basis van welke data er aan welke interventies er het komende jaar gewerkt wordt. Aan het eind van het schooljaar worden de interventieplannen van de scholen geëvalueerd om aan de hand van de data die aan het eind van het schooljaar verzameld zijn, te bepalen wat de ‘opbrengsten’ zijn. Deze gegevens worden ook gebruikt om antwoord te geven op de onderzoeksvraag 2. Onderzoeksvraag 2 en 3 zijn beantwoord door kwalitatieve analyse van de verslagen van de bijeenkomsten met de scholen en de case-beschrijvingen die de scholen van hun ontwikkeling hebben gemaakt.  

Resultaten

Op basis van deze resultaten trekken we de conclusie dat schoolontwikkeling op de academische opleidingsscholen vooral heeft plaatsgevonden ten aanzien van het handelen van de leerkrachten van groep 3 en ten aanzien van het werken met de cyclus voor doelgericht werken aan opbrengsten op groepsniveau. De ontwikkeling op schoolniveau blijft nog achter. De kwaliteit van het leerkrachtgedrag is echter de meest belangrijke verklarende variabele voor leerling prestaties. Op grond van de ontwikkeling in kwaliteit van het leerkrachtgedrag mag derhalve toch ontwikkeling in leesprestaties van de leerlingen van groep 3 op de betreffende scholen verwacht worden. En die zien we dan ook, zowel op de tekstleestoets (AVI-toets), als op de woordleestoets (DMT). Het percentage leerlingen dat het doel bereikt op de tekstleestoets (AVI-toets)aan het eind van groep 3 in het schooljaar voorafgaand aan het project is slechtst 62%. Met andere woorden:  38% van de leerlingen uit groep drie gaat naar groep vier met een leesachterstand. In juni 2016 behaald  86 procent van de leerlingen het doel. Dit percentage ligt 10 procent hoger dan de landelijke norm. De gemiddelde vaardigheidsscores van de leerlingen uit groep 3 van cohort 2011-2012, liggen op de woordleestoets (DMT) net iets onder het landelijk gemiddelde. De verschillen tussen de leerlingen zijn wat groter dan landelijk het geval is. Aan het eind van het project scoren de leerlingen die dan in groep 3 zitten duidelijk boven het landelijk gemiddelde. We kunnen concluderen, dat zowel op de AVI als op de DMT groep 3 van cohort 2015-2016 betekenisvol hoger scoort dan groep 3 van cohort 2011-2012.

Tevens hebben de AOS-scholen een zeer sterke ontwikkeling doorgemaakt ten aanzien van hun innovatiecapaciteit. Met name de omslag van activiteitengericht werken naar doelgericht werken en de sterk vergrote openheid binnen de teams is hoopgevend voor het voortzetten van de in het AOS-project geïntroduceerde werkwijze. 

De gelaagde projectstructuur waarin alle partijen in elk van de lagen vertegenwoordigd zijn en waarin de afzonderlijke lagen zo zijn samengesteld dat er steeds sprake is van verbinding tussen de lagen is een goed model gebleken om de kloof tussen theorie en praktijk te helpen verkleinen. Daarbij kunnen ook kanttekeningen geplaatst worden. Het verkleinen van de kloof vraagt om een structurele relatie tussen besturen, scholen, opleidingen en kenniscentra. Een project kan daarin ondergebracht worden. Bij de uitvoering van het AOS-project stond het project teveel op zichzelf. Zo was de structuur niet voldoende gelinkt aan de bestaande besluitvormingsstructuren binnen de opleiding. De consequenties voor het curriculum van de lerarenopleiding zijn derhalve onvoldoende gecommuniceerd (Houtveen & Kunst, 2017). 

Referenties

Houtveen, A. A. M., & Kunst (2017). Data als basis voor schoolontwikkeling. Schoolontwikkeling op de academische opleidingsscholen Utrecht/Amersfoort 2012-2016. Utrecht: Hogeschool Utrecht, Kenniscentrum Educatie.

 

Geletterdheid

Geletterdheid

Over het lectoraat