Grip krijgen op moreel auteurschap van beginnende leraren in het primair onderwijs

Projectgegevens

Naam project: Grip krijgen op moreel auteurschap van beginnende leraren in het primair onderwijs
Looptijd: 1 september 2013 – 1 september 2017 (uitloop tot 1 augustus 2018)
Status (lopend of afgerond): lopend
Kenniscentrum: Leren en Innoveren
Lectoraat: Normatieve Professionalisering
Betrokken lector: Prof. dr. C. Bakker
Betrokken onderzoekers: Drs. Rob Gertsen
Url website project: www.moreelauteurschap.nl

Korte beschrijving van het onderzoek

Dit promotieonderzoek heeft als doel wetenschappelijke kennis en inzicht op te leveren aangaande de ontwikkeling van de morele mogelijkheden (moral performance) van beginnende leraren (jong volwassene) en een bijdrage te leveren aan een kennisbasis voor de morele taak van de leraar, geconceptualiseerd als Moreel Auteurschap.  De vragenlijst voor zelfonderzoek van moreel auteurschap maakt scholing in de lerarenopleidingen mogelijk en ondersteunt de professionele morele ontwikkeling van leraren.

Wetenschappelijke relevantie

Met het concept Moreel auteurschap en de narratieve benadering van dit onderzoek willen we een relatie leggen tussen verhalen van beginnende leraren, hun praktische kennis en de ontwikkeling van de professionele identiteit van beginnende leraren. In de onderwijs onderzoeksliteratuur is er een brede consensus dat het lerarenberoep moreel van aard is (Sanger, 2003). De laatste twintig jaar gaat Nederlands onderzoek naar het leren van leraren leren met name in op de invloed van niet-rationele factoren met betrekking tot de acties van leraren in opleiding. Beginnende leraren vertrouwen veelal op onbewuste aspecten die meespelen in hun professionele ontwikkeling, zoals morele voorkeuren en de emotionele navigatie. In veel gevallen blijkt deze aanpak niet effectief te zijn en wordt de aanpak ongewenst gevonden (Dolk, 1997; Korthagen & Kessels, 1999; Johnson, 2008; Ballet & Kelchtermans, 2005; Admiral, 1994). Elbaz (1991) geeft aan dat de niet-lineaire en holistische kennis van leraren doordrenkt is van persoonlijke betekenissen en grotendeels impliciete (stilzwijgende) praktische kennis. Korthagen en Lagerwerf (1996) concluderen dat strikt logisch denken meestal niet het meest geschikte hulpmiddel is om problemen op te lossen die docenten hebben om morele kwesties in hun werk aan te kunnen. Ons onderzoek heeft met de narratieve insteek de potentie om met behulp van ons concept 'moreel auteurschap', het impliciete en expliciete begrip hebben van morele kwesties met elkaar te verbinden (Narvaez, 1998, Tappan, 2010; Baxter Magolda, 2008).

Praktische relevantie

In de afgelopen twee decennia is er een groeiende bezorgdheid ontstaan in de politiek en in het onderwijs over maatschappelijke kwesties die het noodzakelijk maken meer aandacht te besteden aan het 'normen en waarden debat'. Tegelijkertijd worden leraren geconfronteerd met een bredere toename van pedagogische taken, en een toenemende onzekerheid over het gezag van leraren in relatie met de autonomie van de leerlingen/studenten (Klaassen & Maslovaty, 2010; van Wieringen, 2003; Doets, 2008; Boxtel, 2009; Veerman, 2010; ten Dam, 2011; Leijnse, 2011; Meijerink, 2012). Er is een kloof zichtbaar tussen de aandacht voor de morele kant van het werk van leraren (en de verwachte impact daarvan) en het gebrek aan expliciete inhoudelijke aandacht voor de morele kant van het werk van leraren in de lerarenopleiding (Willemse, Lunenberg, & Korthagen, 2005, 2008). De morele taak van scholen en leraren is in het Nederlandse onderwijsbeleid en de regelgeving verwoord in termen van sociale competentie en burgerschap (Ten Dam, 2002; Veugelers, e.a., 2007; de Winter, 2011). Deze curricula-thema's en daaraan gekoppeld de voorbeeldrol van leraren in het primair onderwijs, wordt gezien als belangrijk voor de kritieke fase van de morele ontwikkeling van kinderen (de Winter, 2006; Kroon, 2005). Leraren in het primair onderwijs worden gezien als partners van de ouders bij de opvoeding van hun kinderen (Kroon, 2005). 

Beginnende leraren in het primair onderwijs zijn vaak onzeker over hoe ze hun plaats in de schoolgemeenschap kunnen vinden. Hun onderwijservaringen in de eerste fase van hun professionele loopbaan (inductiefase) maken de beginnende leraren bewust van de onderliggende en complicerende processen van de school als organisatie en de morele geladenheid van de gemeenschap. Dit is vaak nieuw voor hen omdat leraren in de lerarenopleidingen vooral gericht zijn op de pedagogisch-didactische vaardigheden om problemen in de klas op te lossen en de aandacht voor de morele kant van het werk minder aandacht krijgt in de lerarenopleiding. Daarnaast worden de beginnende leraren ook lid van een organisatie en ontstaat de behoefte te leren omgaan met de micropolitiek van de organisatie om een eigen plek te vinden in de bestaande organisatie van de school (Kelchtermans & Ballet, 2002). Dit onderzoek wil vanuit de verhalen van beginnende leraren en de morele mogelijkheden duiden met het concept moreel auteurschap. De ontwikkeling van een vragenlijst voor zelfassessment, dat een beeld geeft van zes aspecten van moreel auteurschap, maakt het mogelijk om leraren te ondersteunen dor middel van trainingen, om hun moreel auteurschap te ontwikkelen.

Normatieve professionalisering

Normatieve professionalisering

Over het lectoraat

Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Sluiten