Consortium angst en depressie bij jongeren

Looptijd: 2016-2020
Betrokken lector: Saskia Wijsbroek
Betrokken onderzoekers: Anna van Spanje
Meer informatie: bekijk de website van ZonMw

Beschrijving project

Van alle psychische problemen bij jeugd komen angst en depressie het meest voor. Deze problemen hebben veel nadelige consequenties voor het welbevinden op korte en lange termijn en leiden tot hoge kosten in de gezondheidszorg. Goede behandeling (zowel preventief als curatief) is noodzakelijk, maar het aantal interventieprogramma’s is de afgelopen jaren de pan uit gerezen. Dit vraagt om een kritische evaluatie van de inhoud, de kwaliteit, de mate van overlap en onderscheidend vermogen van de beschikbare programma’s en hun toepasbaarheid binnen de hulpverleningspraktijk. Het is uiteindelijk de bedoeling het aantal programma’s terug te brengen naar een set die bewezen effectief is, aanvullend is en niet (volledig) overlappend, en bruikbaar is binnen de Nederlandse jeugdhulp. In fase 1 is reeds een start gemaakt met deze evaluatie. De in Nederland beschikbare en de relevante buitenlandse programma’s zijn in kaart gebracht en geanalyseerd op o.a. structuur- en inhoudskenmerken. Ook is de stand van zaken in de wetenschap over angst en depressie behandeling in kaart gebracht en is er gekeken naar kosteneffectiviteit.

Hieruit is gebleken dat er inderdaad een groot aantal angst en depressie programma’s is (N=58) die veel overeenkomstige factoren bevatten, zowel op inhoud (dwz dezelfde behandelelementen) als op structuur (bijv. dezelfde doelgroepen). Veel van deze programma’s laten positieve resultaten zien, maar de kwaliteit van het onderzoek laat vaak te wensen over. Ook in de wetenschappelijke literatuur is de afgelopen decennia veel herhaling terug te zien in type studies. De meeste studies hebben gekeken naar of programma’s voor angst en depressie bij jeugdigen in zijn totaliteit werken, en weinig voor WIE ze werken en niet tot nauwelijks WAT er precies werkt en HOE. Ook naar kosteneffectiviteit is nauwelijks onderzoek gedaan. Er is momenteel onvoldoende kennis om met voldoende empirische evidentie adviezen te geven voor indikken. Het overzicht van al deze bevindingen in fase 1 biedt wel een uitstekend beginpunt om de jeugdhulp in Nederland een boost te geven tot kwaliteitsverbetering ten aanzien van angst- en depressiebehandeling. We doen dit in fase 2 door met vier parallelle trajecten precies in te steken op de hiaten die in fase 1 geconstateerd zijn. 

Met Traject 1 (Aanvullen en optimaliseren van fase 1) beogen we het overzicht van de programma’s te completeren door van alle in fase 1 geïnventariseerde programma’s informatie te verzamelen over HOE de verschillende elementen precies vorm krijgen en hoe ze in de praktijk gebruikt worden. 

Met Traject 2 (Secundaire analyses van bestaande data uit fase 1) willen we datasets opvragen, zowel Nederlandse als internationaal, om nadere analyses te doen gericht op het ontdekken van de effectiviteit voor verschillende doelgroepen (voor WIE), cliënt- en hulpverlener kenmerken (door WIE), werkzame elementen (WAT) en factoren die daarmee samenhangen zoals dosering en volgorde (HOE). 

In Traject 3 voeren we een aantal microtrials uit waarbij we doelgericht elementen onderzoeken op hun effectiviteit (WAT), zowel losstaand als in relatie tot elkaar, en betreffende dosering en sequentie (HOE). We gebruiken hierbij microtrials (kleine experimentele designs) die we inzetten voor onderzoek naar werkzame elementen bij subklinische angst en depressie (geïndiceerde preventie). Daarnaast onderzoeken we ook bij klinische doelgroepen welke elementen werkzaam zijn. 

In Traject 4 brengen we de kosten in kaart, en komen we tot een indicatie voor de kosteneffectiviteit van verschillende programma’s/elementen. 
Met de kennis uit de Trajecten 2, 3 en 4 beogen we niet alleen een betere evaluatie uit te voeren van de programma’s voor angst en depressie uit Traject 1, maar ook concretere adviezen te geven over de manier waarop ingedikt moet worden. De werkzame elementen worden voorzien van een duidelijke techniekbeschrijving, waardoor ze direct bruikbaar zijn voor de hulpverleningspraktijk, scholing en training en voor toekomstig onderzoek. In overleg met NJi, ZonMw en andere consortia wordt bekeken hoe deze kennis het beste gecentraliseerd kan worden, zodat het toegankelijk is voor een breed gebruikerspubliek.

Leden consortium

  • Universiteit Utrecht
  • Trimbos-instituut
  • Hogeschool Utrecht
  • Accare
  • GGZ Oost Brabant
  • Karakter
  • Spirit